Hoe word je schrijver?

Ik heb iets met witte dieren, terugkijkend.
Het begon op mijn vierde met een wit knuffelbeertje,
daarna volgde een wit knuffelkonijn,
een legendarisch extralarge levend wit konijn,
een witte knuffelaap (oké, die was van mijn broertje maar ik zag ‘m vaak),
een verhaal dat ik schreef over een sneeuwkonijn,
en een witgrijze kat die ik niet omdat ik dacht: ik heb iets met witte dieren Witlof noemde.
Dat van die witte dieren realiseerde ik namelijk me laatst pas,
terwijl ik mezelf met het (inmiddels niet meer zo) witte knuffelkonijn de nacht in mijmerde.
Het leek opeens allemaal de bedoeling, dat die witte dieren steeds maar tot mij kwamen.
(Eh ja, een knuffeldier is ook een dier.)

Ik wilde nooit schrijver worden.
Ik wilde ook niet niet schrijver worden, ik wilde gewoon in iets leuks heel goed zijn.
Steeds als ik iets probeerde, kwam ik links- of rechtsom bij schrijven uit.
Je zou achteraf bekeken kunnen denken: onvermijdelijk!/?
Een soort van de bedoeling.

Zo gaat dat dus.
Zo word je een schrijver die iets met witte dieren heeft.
Een ambtenaar met een boterhamtrommel.
Moeder van een vijfling.
President van Amerika.
Demonstrant.
Vis in een vervuilde zee.
Vluchteling.
Een kat die Witlof heet.